Belanghebbenden ‘doorwerking slavernijverleden’ bijeen in Nationaal Archief Suriname

Belanghebbenden ‘doorwerking slavernijverleden’ bijeen in Nationaal Archief Suriname

Verslag: Daniëlla Tauwnaar

PARAMARIBO —Hoe in Suriname te komen tot het herstel van de doorwerking was hoofdonderwerp van een ‘expertmeeting’ van het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee) en andere belanghebbende organisaties in het Nationaal Archief Suriname (NAS). “Want we willen graag weten hoe de organisaties in Suriname dat zien”, zegt NiNsee-bestuursvoorzitter Linda Nooitmeer.

Wi e poti a dey disi ini anu fu Nana Keduaman Keduampon, meki a dey disi waka nanga lobi”, smeekt wintipriesteres en Okomfo Nana Efua Marian Markelo op traditionele wijze de zegen af van de allerhoogste, om deze bijeenkomst over de doorwerking en herstel succesvol te doen verlopen. Haar stem klinkt helder en duidelijk in de tot de laatste stoel gevulde conferentiezaal van het NAS. Daarna delen belanghebbenden en vertegenwoordigers van relevante organisaties inzichten en kennis met elkaar. Reagerend op wat de inleiders bondig hebben gepresenteerd, geven zij hun visie op het fenomeen ‘doorwerking slavernijverleden’ en hoe dat aan te pakken.

In het Herdenkingsjaar Slavernijverleden (1 juli 2023 – 1 juli 2024) staat Nederland stil bij zijn geschiedenis van slavenhandel en slavernij en hoe dit nog altijd doorwerkt in het leven van nazaten van tot slaaf gemaakten in zowel Nederland, Suriname als het Nederlandssprekend deel van het Caribisch Gebied. Wanneer nazaten van tot slaaf gemaakte Afrikanen hun eigen geschiedenis hadden geschreven dan zouden gecriminaliseerde verzetsstrijders als Tula op Curaçao, Kaikoesi en Boni in Suriname als helden gevierd worden. Dat is slechts één van de voorbeelden van de doorwerking van slavernij die nog altijd evident zijn.

Tijdens de expertmeeting is nagegaan hoe gezamenlijk invulling te geven aan het ‘proces achter de komma’, verwijzend naar de Nederlandse excuses voor zijn slavernijverleden op 19 december 2022. Er is namelijk 200 miljoen euro beschikbaar gesteld voor programma’s die de negatieve gevolgen van de doorwerking van het slavernijverleden moeten herstellen. Met het Surinaamse maatschappelijk middenveld wordt besproken hoe de ‘doorwerkingsagenda’ van het slavernijverleden uitgevoerd moet worden en welk herstelplan hieraan ten grondslag moet liggen. Het NiNsee faciliteert en ondersteunt daarin. Daarom is het zaak te weten wat de Surinaamse organisaties willen op basis van hun specifieke inzichten.

Nederland anders dan Suriname

In Nederland is volgens bestuursvoorzitter Nooitmeer duidelijk waar te nemen hoe die doorwerking zich manifesteert. “Daar hebben zwarte mensen meer te maken met institutioneel racisme”, zegt zij. Volgens Siegmien Staphorst, voorzitter van NAKS, de oudste organisatie van Afro-Surinamers, is de manier waarop de doorwerking zich manifesteer in Suriname nog niet helemaal vastgelegd. “We zien wel degelijk dat er een bepaalde mate van achterstand is bij de Afro-Surinamers, op sociaaleconomisch en cultureel gebied. Daarvan zijn voorbeelden te over. Maar we moeten onderzoek doen om dat vast te leggen en duidelijk te kunnen benoemen.”

Volgens Staphorst zou hierin de bijdrage van NiNsee moeten liggen. “Ons ondersteunen met kennis over hoe dat onderzoek aan te pakken.” Daaruit zou vervolgens een programma voor herstel moeten voortvloeien. “Want geld is mooi, maar laten we concentreren op hoe erg de doorwerking werkelijk is en dan moeten we werken aan herstel.”

Het onderzoek waarnaar Staphorst snakt is overigens deels al op gang gekomen. De opzet en resultaten van een ‘beschrijvend onderzoek’ onder 300 Afro-Surinamers – met de prikkelende titel ‘Na so blaka buba tan?’ (Is dat de aard van de zwarte huid) – worden gepresenteerd door keynotespreker Helmut Gezius. Onder meer werd tijdens het onderzoek gevraagd wat de groep zelf belangrijk vindt om verder te onderzoeken bij de doorwerking van het slavernijverleden.

“Het resultaat toont aan dat de mensen zich willen concentreren op zaken als identiteit, leiderschap, historie, gezinsleven en sociaal leven”, brengt Gezius verslag uit. “Veelal wilden de respondenten zich meer richten op het heden en hoe zaken nu ten goede te keren voor de Afro-Surinamer.” De wetenschapper concludeert dat vanuit zijn eigen oriëntatie blijkt dat de slavernij als doorwerking de nazaten een ‘minderwaardigheidsgevoel’ opgeleverd heeft en dat hun identiteit ‘gefragmenteerd’ is.

Zijn we oké?

De gewenste focus op het heden roept bij hem dan ook de vraag op: “Hebben we de overtuiging, omdat we een baan hebben, in Paramaribo wonen, naar school zijn gegaan, een bedrijf hebben en de politiek ingaan, dat er niets en dan ook niets met ons aan de hand is?” Hij voegt quasi grappend eraan toe: “Want we hebben ons op geen enkel moment na de slavernij massaal bij de psycholoog gemeld.” Evenals Staphorst zegt Gezius dat er veel meer onderzoek in Suriname nodig is op het dossier slavernij, slavernijverleden en doorwerking.

Om zo compleet mogelijk te zijn in de gesprekken en bij het delen van inzichten, is ook de rol van de eerste en oorspronkelijke bewoners van Suriname, de inheemsen, nodig en relevant. Daarom geeft als ‘speciale gast’ Cylene France, directeur van het Bureau Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname (VIDS), mee ter overdenking dat de onderdrukking van inheemsen niet alleen de slavernijperiode betrof. “Het begon met het inpikken van ons land door de komst van de voormalige kolonisator. We worden als inheemse volkeren die hier als eerste waren nog steeds gemarginaliseerd en onze collectieve rechten worden nog steeds niet erkend.”

Marronwetenschapper Franklin Jabini ondersteunt dat standpunt tijdens zijn inleiding: “De inheemsen hebben de nazaten van de Afrikanen de weg gewezen naar de vrijheid. Zonder hen zou het onmogelijk zijn om een succesvolle marronage in Suriname te hebben.” Daarom pleit Jabini voor een “gezamenlijke route met gezamenlijke uitgangspunten voor nazaten, inheemsen en Afrikanen”. Hij benadrukte ook: “Het is belangrijk dat we een eigen Surinaamse agenda hebben als we praten over het slavernijverleden en dat we dingen ook heel goed gaan definiëren. Waar willen we naar toe gaan? Wat willen we realiseren?” De marrons hebben intussen al het voortouw genomen om tot antwoorden te komen op deze vragen. Zij voeren gesprekken met een overlegstructuur van traditionele leiders om alvast hun visie te formuleren, meldt Jabini.

Lange adem

De strijd om te komen op het punt waar Suriname, Nederland en het Nederlandsprekend deel van het Caribisch Gebied nu staan, is een van lange adem geweest. Zo werden eindelijk in 2001 slavernij en slavenhandel erkend als misdaden tegen de menselijkheid, in 2013 werd het ‘decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst’ uitgeroepen door de VN en in 2019 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen die een directe relatie legt tussen racisme gericht tegen mensen van Afrikaanse komaf en de geschiedenis van kolonialisme en slavernij.

Met vereende krachten van de voorouders, de nazaten en de verschillende belanghebbende organisaties, kwamen op 19 december, 160 jaar na afschaffing van de slavernij dan ook eindelijk excuses van Nederland. De nazaten hebben dan ook het volste ‘recht’ om de tijd te nemen daar een ‘duidelijk antwoord’ op te formuleren. Dit benadrukken NiNsee-directeur Urwin Vyent en Silvano Tjong-Ahin, aangewezen nationaal coördinator van het Platform Slavernijverleden Suriname, tijdens hun ‘reflectie’ aan het einde van de meeting.

“We kunnen het ons niet veroorloven om nu daar Nederland excuses heeft aangeboden, als een verdeeld veld over te komen. Laten we het de voormalige kolonisator niet mogelijk maken om de toen toegepaste strategie van verdeel en heers weer toe te passen,” verwoordt Tjong-Ahin de noodzaak om eensgezind op te treden in het formuleren van de wensen van Suriname.

Het slavernijverledenplatform is opgezet om te komen tot een reactie van de Surinaamse overheid op de excuses van Nederland. Vyent ondersteunt deze redenering. “Nederland heeft 160 jaar de tijd genomen om tot excuses te komen en driehonderd jaar zijn we verdeeld. Dat vraagt even tijd om het proces van verwerking, heling en vernieuwing goed op de rails te krijgen.”

Vinger aan de pols

Terugkomend op het doel van deze ‘expertmeeting’ zegt bestuursvoorzitter Nooitmeer: “Suriname is nu aan zet.” NiNsee heeft, toen er fondsen vrijkwamen voor het herdenkingsjaar, erop gestaan dat ook Suriname wordt meegenomen in het proces van herstel. Nooitmeer benadrukt dat hoewel er nuanceverschillen zijn, NiNsee uitgaat van ‘één nazaat’. Suriname was immers plaats delict net als delen van het Nederlandssprekend deel van het Caribisch gebied.

“Dat Suriname nu onafhankelijk is doet daar geen afbreuk aan.” Om het proces te blijven ondersteunen zal NiNsee daarbij ook blijven faciliteren. “Nu volgt daartoe nog een gesprek met de voortrekkers om te zien hoe die ondersteuning er dan verder uit zal moeten zien. We blijven de vinger aan de pols houden”, zegt Nooitmeer.

Maar over één ding is iedereen het nu al eens, in de woorden van directeur Vyent: “We moeten blijven praten vanuit de kracht van de voorouders. Dat er excuses zijn gekomen is niet zonder strijd gegaan. Daar is keihard voor gestreden. De kracht van onze voorouders is daar zeer belangrijk bij geweest.” Hoewel hij zegt te begrijpen dat actie nodig en gewenst is, moet het blijven praten leiden tot gezamenlijke inzichten. “Dat heb ik in Nederland echt gezien. Je blijft praten totdat je elkaar vindt.”

Naast de sprekers Staphorst, Gezius, France en Jabini hebben ook Hesdy Ommen, voorzitter van de Stichting Para Plantages en Johan Roozer, predikant van de EBGS, hun inzichten gedeeld met de zaal. De expertmeeting op woensdag 21 februari was op initiatief van het NiNsee georganiseerd in samenwerking met de Adekus, de EBGS, de Federatie van Paraplantages, NAKS en het Platform Slavernijverleden Suriname.