Sfeerverslag Nieuwe Narratieven: Naar een Zwarte Canon

Sfeerverslag door Phaedra Haringsma:

De slagen op de sambura horen dusdanig te dreunen dat ze op grote afstand te horen zijn – het instrument wordt gebruikt om tussen inheemse dorpen te communiceren. Maar vandaag rollen de slagen slechts door de imposante Koningin-Máxima-zaal van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT). Niet om de vraag naar koloniale handelsproducten te bevorderen, zoals het voormalig Koloniaal Museum als doel had bij de oprichting in 1871. Nee. Het Surinaamse ensemble, bestaande uit Dwight Fransman en de inheemse muziekgroep Anuana Maro, speelt op het slotsymposium van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden, uitgeroepen in het kader van 160 jaar afschaffing van de slavernij in Suriname en op de Caribische eilanden binnen het Koninkrijk. 

De genodigden die de zaal binnendruppelen zijn geen jonge mannen die een koloniale carrière ambiëren – de doelgroep die het Koninklijk Instituut destijds op het oog had – maar nazaten van slaafgemaakte mensen en andere geïnteresseerden, die bijeenkomen om te werken aan een nieuw verhaal over het Nederlandse trans-Atlantische slavernijverleden. Met het symposium lanceert het NiNsee de ontwikkeling van een canon over deze geschiedenis, geschreven door de nazaten zelf, voor alle Nederlanders. Dit symposium gaat over de route naar een Zwarte Canon.

Na afloop van het welkomstconcert, als de aanwezigen plaats hebben genomen in de zaal, zegt Fransman dat hij hoopt dat er, ondanks de naam, ook ruimte komt voor een ‘rood’ (inheems) perspectief in de Zwarte Canon. Daarmee legt hij nog voor het symposium is begonnen de vinger op de zere plek. Want waarom is het eigenlijk nodig om een Zwarte Canon te hebben? Welke verhalen komen in zo’n canon terecht, en welke vallen buiten de boot?

Beeld: optreden D. Fransman en inheemse muziekgroep Anuana Maro, foto: I.Owusu

Beeld: toespraak Linda Nooitmeer foto: I.Owusu

De verhalen die we bij ons dragen

Het symposium wordt geopend door NiNsee-bestuursvoorzitter Linda Nooitmeer. Het NiNsee krabbelt terug van een belabberd decennium, vertelt ze. Voor veel Nederlanders was het uitroepen van het herdenkingsjaar pas de eerste keer dat ze van het NiNsee hoorden, nadat het instituut door eerdere kabinetten-Rutte in 2014 was wegbezuinigd omdat die geen heil zagen in de systematische documentatie van het slavernijverleden.

Dus bleven we de verhalen bij ons dragen, vertelt Nooitmeer. Een van die verhalen, van generatie op generatie overgedragen aan de moederskant van haar familie, vertelt hoe drie zussen werden ontvoerd uit West-Afrika. Slechts twee zouden de gruwelijke overtocht over de Atlantische oceaan overleven – de derde zuster sprong liever overboord dan dat ze haar leven voortzette in slavernij in Suriname. Op de begrafenis van Nooitmeers onlangs overleden moeder werd het verhaal opnieuw verteld, maar tot nu toe was het verhaal nog nooit opgeschreven. Nooitmeer krijgt het te kwaad en moet de speech even onderbreken om zichzelf te herpakken. Ze krijgt water en een zakdoekje aangereikt, en wordt bijgevallen vanuit de zaal door applaus. ‘Als we het hebben over kennis, denken we vaak alleen aan het geschreven woord, maar de kracht van dit soort verhalen wordt nog altijd onderschat,’ zegt Nooitmeer.

Dat tij is na decennialange onvermoeibare inzet vanuit (onder andere) de Afro-Nederlandse  hoek aan het keren. De Black-Lives-Matterprotesten van 2020, georganiseerd door een jonge generatie activisten, vormden een keerpunt in de houding van de kabinetten-Rutte tegenover het slavernijverleden. Er kwamen excuses van toenmalig minister-president Rutte en koning Willem-Alexander. ‘Een deel van de samenleving werd wakker, en nu is het plotseling mogelijk om op nationaal niveau kritisch naar onze eigen geschiedenis te kijken,’ ziet Nooitmeer.

Ook wordt nu op nationaal niveau verder gedacht dan de herdenking alleen. De Dialooggroep Slavernijverleden, ingesteld na de Black-Lives-Matter protesten, schreef in haar rapport dat er behalve erkenning van en excuses voor de slavernij ook een plan moet komen voor herstel.

Oud-minister voor Grote Steden – en Integratiebeleid Roger van Boxtel, die een keynote speech geeft tijdens het symposium, ziet weinig heil in individuele herstelbetalingen. ‘Maar,’ vult hij aan, ‘dat neemt niet weg dat de Nederlandse regering actief racisme en discriminatie moet bestrijden.’ Ongeacht de politieke kleur van de regering moet deze streven naar gelijkheid voor alle ingezetenen. Van Boxtel vindt dat dit gepaard moet gaan met een structurele forse financiële inspanning. 

Beeld: Oud-minister Roger van Boxtel, foto: I.Owusu

Beeld: v.l.n.r. Roger van Boxtel, Glenn Thodé, Manon Sanches foto: I.Owusu

Naast het bestrijden van racisme en discriminatie ziet hij op drie andere terreinen een actieve rol voor de overheid. Ten eerste vindt hij dat 1 juli, de dag waarop de slavernij officieel werd afgeschaft, een nationale feestdag moet worden (die desnoods ingeruild kan worden voor Tweede Pinksterdag).

Ten tweede vindt hij dat het slavernijverleden een kerndoel moet worden in het Nederlandse schoolcurriculum. Op dit moment is het een van de vijftig ‘vensters’, waardoor het alsnog afhangt van docenten of leerlingen er iets over onderwezen krijgen. Ten derde kijkt hij met argusogen naar de oprichting van het slavernijmuseum in Amsterdam. Hij vraagt zich af of structurele subsidie voor het museum in de toekomst wel gegarandeerd wordt.

Bovendien, voegt hij toe, hebben de Surinaamse nazaten van slaafgemaakten in Suriname weinig aan subsidie voor bewustwording over het slavernijverleden – andere problemen die voortvloeien uit datzelfde verleden, zoals armoede en gebrek aan huisvesting, zijn urgenter. Dr. John Schuster, onafhankelijk sociaal wetenschapper ziet hierin een rol weggelegd voor mensen uit de Afrikaanse diaspora in Nederland, die zich nog altijd verbonden voelen met hun land van herkomst.

Ook de andere sprekers op het symposium richten hun blik naar de andere kant van de Atlantische Oceaan. Op de eilanden en in Suriname zijn in het herdenkingsjaar veel initiatieven gestart rondom de thema’s herdenking en herstel. Prof. dr. Manon Sanches, orthopedagoog aan de Anton de Kom Universiteit in Suriname legt uit dat vergiffenis een bewust proces is. Daarbij kiest een persoon of groep ervoor om negatieve emoties los te laten die voortkomen uit trauma. Maar dat er geen wrok (meer) gekoesterd wordt, betekent niet dat de traumatische gebeurtenis goedgekeurd of vergeten wordt. Ze pleit voor onderzoek naar het slavernijverleden vanuit een Surinaams perspectief, waarin orale tradities en methoden worden meegenomen. 

Dr. Glenn Thodé, voormalig gezaghebber van Bonaire, voormalig rector van de Universiteit van Aruba en huidig universitair docent strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, uit zijn kritiek op de huidige samenwerking tussen de Nederlandse regering en de eilandregeringen. Volgens hem ontbreekt het aan visie bij het beginnen van het herstel- en verwerkingsproces, dat volgens sommige eilandgemeenschappen te snel gaat. ‘Elk van de zes eilanden binnen het koninkrijk heeft een andere relatie tot het slavernijverleden en zou dit op een andere manier willen verwerken,’ aldus Thodé. Maar nu, waarschuwt hij, is de Nederlandse regering meteen aan de slag gegaan zonder een gebiedsbrede visie te ontwikkelen voor de verwerking van dit verleden. 

Hij hekelt Nederlandse procesmanagers die ingekaderde opdrachten komen uitvoeren die in schril contrast staan met de geleefde ervaringen van de eilandbewoners. ‘Het lijkt alsof de Nederlandse staat aan Caribische Nederlanders oplegt hoe zij het slavernijverleden moeten verwerken,’ zegt Thodé. ‘Dat getuigt van superioriteitsgevoel, en het komt neer op een hoop gepraat zonder resultaat.’ Een lichtpuntje ziet hij in de rehabilitatie van de Curaçaose verzetsheld Tula. Ook kijkt hij naar St.Eustatius, waar met meer succes bottom-up vanuit de gemeenschappen in samenwerking met Caribische partners projecten zijn gestart. 

Wat is Zwart? Wie is Zwart?

Een van de doelen van het symposium was het presenteren van drie vensters van de Zwarte Canon, waarin de ervaringen van nazaten in Nederland centraal staan. Volgens het NiNsee zijn die:

  1. de weg naar erkenning van de talen Papiamento en Sranantongo;
  2. de lange strijd die de nazaten in Nederland hebben gevoerd om de stilte rondom het slavernijverleden te doorbreken, tot het moment dat excuses werden uitgesproken door minister-president Rutte en koning Willem-Alexander;
  3. de ontwikkeling van culturele expressie van de nazaten in de context van de zwarte invloed op de wereldcultuur / de creolisering in de culturele expressie van de Afrikaanse diaspora

Maar al gauw bleek dat de term ‘Zwart’ binnen de gemeenschap allesbehalve een oncontroversiële term is.

Beeld: John Schuster foto: I.Owusu

Beeld: Francio Guadeloupe, I.Owusu

Als je naar de volkeren van de (ei)landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden kijkt, valt je één ding op, volgens Dr. Francio Guadeloupe. De op Aruba geboren bijzonder hoogleraar Publieke Antropologie van Koninkrijksrelaties aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) is een van de sprekers op het symposium. ‘Dat ene ding is dat de Koninkrijksbevolking een afspiegeling is van de wereldbevolking. En juist dáár ligt onze kracht,’ aldus Guadeloupe.

Kracht in diversiteit ligt aan de basis van creolisering – de wisselwerking tussen cultu­ren die elkaar beïnvloeden, waardoor een nieuwe cultuur ontstaat. Het proces van creolisering, ingezet door slavernij en kolonisatie, heeft zowel de Surinaamse als de eilandgemeenschappen gevormd tot de samenlevingen die ze vandaag de dag zijn.

Waarom moeten we het dan over een Zwarte Canon hebben?’ vraagt Guadeloupe zich af. Daarop haalt dr. Esther Captain, historicus bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het ‘strategisch essentialisme’ aan van de zwarte, migranten-, en vluchtelingenvrouwenbeweging van de jaren ‘80 en ‘90 aan. Omdat hun ervaringen niet werden weerspiegeld in de mainstream feministische stroming, was zwartheid een vehikel om hun ervaringen op de kaart te zetten. Zwartheid als statement, dus.

Guadeloupe ziet een fixatie op uiterlijke kenmerken als een erfenis uit het slavernijverleden: een gesegregeerde visie op de wereld. Een visie die in conservatieve kringen leidt tot racisme en bekrompen stereotyperingen, en in de progressieve wereld tot wat de Canadese filosoof Charles Taylor de Politics of Recognition noemt – een gefragmenteerde samenleving waarin etnische of culturele groepen strijden om erkenning door de dominante groep. In het ergste geval kan dit leiden tot een ‘verharding’ van identiteiten, waarbij groepen in de samenleving zich isoleren en niet langer een gedeeld menselijk perspectief nastreven.

Volgens Guadeloupe is creolisering een diepgaand proces dat mensen op een veel dieper niveau met elkaar verbindt dan op basis van etniciteit alleen. Luister daarom goed naar Caribische filosofen, bepleit hij, want uit hun gedachtegoed kunnen we wijze lessen trekken om onze gedeelde toekomst vorm te geven. ‘Blijf weg van essentialisme en kijk verder dan uiterlijke kenmerken. Kijk liever naar dans, ritme, of muziek als gemeenschappelijke deler. Onze canon moet alle zintuigen meenemen.’ 

Om zijn woorden kracht bij te zetten, draait de hoogleraar War van Bob Marley & The Wailers, dat kriskras door de zaal luidkeels wordt meegezongen:

Until the philosophy which hold one race superior and another inferior

is finally and permanently discredited and abandoned

Everywhere is war, 

me say war.

That until there are no longer first class

and second class citizens af any nation

Until the color of a man’s skin

is of no more significance than the color of his eyes

Me say war.

That until the basic human rights are equally

guaranteed to all, without regard to race

A dis a war.

That until that day

the dream of lasting peace, world citizenship

rule of international morality

will remain in but a fleeting illusion

to be pursued, but never attained

Now everywhere is war, war.

Guadeloupe: Wie goed luistert naar Caribische denkers, hoort dat Babylon – het koloniale, kapitalistische systeem van onderdrukking dat de planeet vernietigt, volgens het Rastafarianisme – in iederéén kan zitten, ongeacht huidskleur of afkomst. 

‘Kunnen we het dan niet beter hebben over een Creoolse Canon, in plaats van een Zwarte Canon?’ vraagt de Surinaamse schrijfster Lucia Nankoe vanuit het publiek. ‘De term “zwart” werd veertig jaar geleden als politieke term gebruikt,’ licht ze toe. Guadeloupe antwoordt: ‘Als we het dan toch over zwartheid moeten hebben, laten we het dan hebben over political blackness. Dat is een overkoepelend begrip waarbij zwartheid de huidskleur overstijgt. Ik zou een nieuw verhaal willen vertellen over wie wij zijn.’ 

Of die laatste mijmering van Guadeloupe gretig aftrek vindt bij de genodigden, valt te bezien. Een lid van Anuana Maro sluit af waar Fransman mee begon: het valt haar nog steeds tegen dat het inheemse perspectief niet expliciet ter sprake is gekomen tijdens het symposium. 

Beeld: moderator Aldith Hunkar foto:I.Owusu

Beeld: slotwoord Urwin Vyent foto: I.Owusu

Geen toekomst zonder verleden

De Surinaamse journaliste Aldith Hunkar, die de dag modereert, haalt een beroemde quote van de Jamaicaanse burgerrechtenactivist Marcus Garvey aan: A people without knowledge of their past history, origin and culture is like a tree without roots. Wie naar de toekomst wil kijken, moet weten waar die vandaan komt. Ze sneert daarbij naar Thodé, die had gezegd dat eilandbewoners op verschillende manieren tegen het slavernijverleden aankijken. Hunkar: ‘In Suriname zie ik dat de marrons zelf het heft in eigen handen nemen en de klassen langsgaan om hun geschiedenis te onderwijzen aan schoolkinderen. Op de Caribische eilanden ontmoette ik mensen die niet eens wisten waarom ze zwart waren!’ 

De zaal ontploft in een luid geroezemoes.

Dan is de tijd op. Men is nog lang niet uitgepraat als het programma ten einde komt. Geschiedschrijving, zo had Captain opgemerkt tijdens haar voordracht, gaat onherroepelijk gepaard met uitsluiting. ‘Een canon samenstellen is een proces van wikken en wegen, van in- en uitsluiten. Nederlandse slavernij en kolonialisme hebben tot breuken in het geheugen geleid.’ Het symposium heeft laten zien dat die breuken verder lopen dan het geheugen alleen. Nu is het tijd om te lijmen wat we kunnen – opdat onze gezamenlijke verhalen nooit verloren zullen gaan.

Terwijl de gasten de statige marmeren foyer van het KIT in druppelen voor de borrel, haalt een van de aanwezigen haar wenkbrauwen op. ‘Ik word moedeloos van al dat gebekvecht. Is het niet te voorbarig om met een Zwarte Canon te komen als we het met elkaar niet eens kunnen worden over wat zwartheid überhaupt is?’ Ongetwijfeld zal het onderwerp van de term zwartheid nog de nodige aandacht krijgen binnen een nieuwe, nog in te stellen commissie. Urwin Vyent, directeur van het NiNsee, deelde in zijn slotwoord al mee dat er op korte termijn een koninkrijk brede commissie met Suriname erbij, wordt ingesteld. Deze commissie gaat zich verder buigen over de invulling van de Zwarte Canon.

“¹ Wettelijk werd de slavernij in 1863 afgeschaft, maar in Suriname duurde de slavernij feitelijk tot 1873. Slaafgemaakte mensen waren tien jaar lang verplicht tegen een geringe vergoeding op de plantages door te werken. Op Curaçao bestond tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw de paga tera, een systeem van lijfjesgeschat waarbij de tot slaafgemaakte mensen herendiensten moesten verrichten.”

“² Ketenen van het verleden, Advies Dialooggroep Slavernijverleden, 2021, pagina 34”

“³ De tekst van War is gebaseerd op een speech van de Ethiopische keizer Haile Selassie die hij in 1963 voordroeg bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.”

 

Hieronder bekijk je de aftermovie van het symposium. De volledige livestream terugkijken kan hier.